Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wier zaligheid geen hemel meer vergoedt,

Die in één adem van ons beider monden

Mij tot een damp maakt van haar dampend bloed

En, door één band van vlammen saamgebonden,

Doet dansen als een vuurvonk in haar gloed...

O, wat zijn woorden bij die werklijkheden -

Den zwarten duizel aan haar heete leden 1

En dan - daarachter wenken reeds de dooden:

Achter dien duizel wacht het ledig, want

Die 't leven gaf is reeds niet meer van noode

En Liefde en dood zijn even diep verwant

Als dood en Schoonheid zijn: die deze proefde

At uit Gods hand en zag Hem zeiven aan

En wist, dat hij op aard niets meer behoefde

Dan zwijgend uit de wereld op te staan;

Maar anders zijn zij beiden den verzade,

En laten ook zij beiden heimwee na:

De Schoonheid laaft en brengt de ziel genade,

Al blijft zij vragend voor baar wederga -

Doch Liefde zengt het hart en doet verlangen

En doet, verzadigd, vragen naar nog meer,

Zij geeft ons in der wereld net gevangen,

Want telkens rijst de worgende engel weer -

Totdat het beest in ons, buigend van wonden,

Met eene grijns van baat het sterven beidt.

Hoe na zijn dood en Liefde... en haat verbonden

Die Schoonheid nimmer kent - o menschhjkheidl

Gelukkig die den worgende weerstonden

En die, zijn warme vleugels afgeweerd,

Al hunne Liefde in de Schoonheid vonden,

Strevend haar eeuwig wonder toegekeerd 1

Neen -: arm, die nooit zijn hart heeft leeggeschonken En, blind tot Liefdes zoet gelaat gewend, Den hemel van haar lippen heeft gedronken Arm die nooit, wanklend in des levens lent',

Sluiten