Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG

HEMELVAART Naar wat voor hemel gingen eens haar handen Als leeuweriken in den jongen dag -? Daarheen waar zij de grenzenlooze landen Der godlijke beloften wachten zag En gansch 't heelal in 't eeuwig licht zag branden Dat maar op aard te schemeren vermag; Daarheen - daarheen waar alle droomen dagen Wier blinde beeld wij wakend in ons dragen.

Want ach: wat is er van den trots gebleven

Waarmee de mensch den nauwen horizon

Al wijder in de ruimte heeft gedreven

Waar hij Gods handen bijna grijpen kon -

Tot God hem met Zijn mateloosheid boeide

En om hem de altijd weer verdreven vert'

Tot één onmetelijke leegheid groeide

Waarvoor zijn ziel immer geringer werd.

Dan zag hij langzaam en geluidloos alle

Gedachtenbouwsels krimpen tot den grond,

Dan zag hij ook de laatste tempels vallen

Waartusschen hij geen God meer wedervond,

Geen doel, geen hoop, geen beeld van hooger waarde

Dan 't eenzaam ik, dat hij aanbidden mocht -

Wat deed hij daar nog zonder God op aarde

Wat ademde~hij zonder Zijn ademtocht?

Toen proefde~hij zijn onzaligheid te midden

Van 't zonverduisterd God-verlaten land

En poogden zijne lippen weer te bidden -

Zocht hij opnieuw ootmoedig naar Gods hand.

En in de donkre schaduw des Geduchten

Niet grooter dan een vale vlek - dan zij -

Gingen zijn handen op om weg te vluchten

Als vogels vluchten uit een woestenij!

Het is de Schoonheid die ons weer gelooven -

A. v. S. Gedichten. 2de druk 18

Sluiten