Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG WEERKEER Maar neen - haar had geen hemel nog gevangen: Zij was van hen, die al hun heil op aard En niet in droomen of een God verlangen, Maar, aan het blijde oogenblik gepaard, De vruchten zien die voor hun handen hangen En adem halen in een zoelen gaard; Zij was van hen tot wie Gods gaven stroomen Doch - die, genietend, Hem niet naderkomen.

Zij was van een verleden toen het leven

Nog licht was en geen stage donkre strijd;

Zij was van 't Zuiden, waar de ranke steven

Van 's levens boot door vele bloemen ghjdt,

Waar geen zijn simplen God om zwaarder vrachten

Dan de oogsten van zijn simple doening vraagt,

Geeneen het hoofd vol haastige gedachten

Als eenen korf van gonzend leven draagt

Altijd van nieuwe bronnen aangevlogen,

Maar menig, als de dag den morgenstond,

En met een blauwen hemel in zijn oogen,

Een bloem draagt voor zijn zorgeloozen mond;

Waar allen saam de daagsche vreugde dienen

En waar geen donker hoofdje om niet verlangt,

Als 't wakend bij de golvende glycine,

Die heure trossen om haar henen hangt,

Aan 't geurend venster 's avonds staat te wachten,

En naar geen sterren - naar geen hemel ziet...

Daar zingt de dag, daar fluisteren de nachten,

Daar wordt de wake een droom - elk woord een hed,

Een lied de hefde, een hed heur ademhalen -

En rijst alleen maar hier en daar de stam

Van een cypres, als uit de warme schalen

Der vreugde één donkre dunne vlam...

Zij was van 't Zuide' en van een licht verleden -

Sluiten