Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Breekt hij zijn brood en - laat een bittre bete Varen naar de uitkomst van den donkren tocht En hongrend varen zijn gedachten mede Naar 't wachtend land, dat hij nooit zal betreden.

Dan keert de droom, die zooveel oogen zagen, Schoon geen 't beloofde land nog eender zag,' Daar ieder naar zijn eigen heil gedragen, Aan de' avond van zijn storm-doorwaaiden dag Het door een mist van tranen ziet verschijnen - Zij 't tranen waar de hemel reeds in lacht En ieder in dat ver visioen het zijne Aan de' oever van "het zalig eiland wacht; Daar wordt weer elke bloem een lieflijk wonder, Daar buigt weer elke boom van geurend fruit En noodt zijn stil-geworden loover onder Het dichte dak tot stil herdenken uit, Waarnaast de klare bron welt om te laven, De koele beek een badend lichaam beidt, En, ach, elk hart den zwerveling een haven Van trouwe mededeelzaamheid bereidt; Waar ieder pad de vederlichte schreden Naar hooger draagt en ieder vergezicht Den opgang opent naar een ander Eden, Ons reiken doet naar verder wijkend licht... Daar gaan de vleugels open dier demonen, Wier schaduw zich aan 't land der zaal'gen zet: De booze engelen, die in ons wonen Wier aangezicht God aan te zien belet!

En moe van droomen zinkt hij naar beneden En neemt de golfslag der vergetelheid Hem in haar eindelooze waatren mede Uit de eindigheid van den getelden tijd, Waar hij reeds als een sdüm van het verleden Voorbij den oever van het heden glijdt Want alle geesten blijven eeuwig bouwen

Sluiten