Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG ONTWAKING Daar daalt het zeil - de vaart komt tot bedaren, Verbeelding heeft haar verre tocht vervuld, Nu zij de late kim weer doet ontwaren Die reeds de wereld in haar stralen hult En, of zij door den droom gelouterd waren, Mijn handen in haar stille goud verguldt Daar stroomt de avond bel mijn oogen binnen En wil mijn hart met al zijn goud herwinnen 1

Hoe wenkt de schemering ons tot zich henen Als zij ons drenkt in heur vertrouwden gloed Dat zij mij thans weer aan het venster leenen En aan een werklijkheid gelooven doet Waartoe dit leven eenmaal moet ontwaken -; Tot droom en waarheid nog weer samenvloeit: Daar ploegt het purper door de pannendaken, Daar is 't of weer het bed van rozen bloeit, Daar worden achter mij de oude zalen Weer vol van het verleden, dat zij mij In hunne spraakloosheid opnieuw verhalen Als waar' mijn hart een deel van hen, - en zij... Langzaam spreidt zich over haar steenen leden 't Licht als een golf van teeder leven uit Ontplooit haar als een bloemblad in het heden En doet haar bloeien als een stille bruid; Langzaam beklimt het hare jonge lenden Tot het een adem door dien boezem stort Een adem door mijn eigen wezen, en de Verdorde jeugd ook in mij wakker wordt, Mij weder drijft en aanblaast tot begeeren En alle droome' en driften van weleer En al de luste' - al de verlangens keeren Nog eenmaal stormend overwinnend weer!

Ach dat de kleine oogst van gouden dagen,

Sluiten