Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat stille dingen die de ziel bezat -

Tot de gewoonheid, die wij nauwlijks zagen,

Nauwlijks één oogenblik hebben geschat -

En zelfs de lasten die wij moesten dragen,

Waarvan ons hart vaak om verlossing bad,

Zoo licht - zoo goed - ach, zoo begeerhjk schijnen,

Waar zij voor ons en wij voor hen verdwijnen 1

Want luidloos dort in mijne open handen

De late bloei van 't warme avondlicht,

Dat binnen wegzakt van de vale wanden

En buiten in het fluistrend loover zwicht -

En reeds bezwijmd is bij het flauw geflonker

Van de eerste azuren ster; daar vangt de maan

Allengs tusschen het weifelende donker

Haar zwijgzaam spel van dood én zilver aan

En welt den hemel vol met kille golven

Waar nieuwe beelden klankloos open gaan -

Die, door den adem van den nacht bedolven,

Weer in een bed van duisternis vergaan.

Vergaan - als alles gaat wat wierd geboren,

Als alles aan mijn eigen hart verkwijnt

Nu mij, voor 's werelds werkhjkheid verloren,

Ook de verzoening van den droom verdwijnt;

Vergaan - nu ook 't verlangen is gevallen

En met het uitgebluschte licht is heen

Gevlucht, dat mij, als immers eens ons allen,

In 't donker achterlaat - leeg en alleen;

Vergaan als zij, nu ze eenzaam nagebleven

En zonder doel, zonder bezielde loods

Door een verbeeld bestaan, ach: zonder leven

Het dreigend donker wacht - een beeld des doods.

Zij is de stille schaduw onzer schreden Die met den nacht aan onze voeten wast, Zij is de doove toorts van het verleden, De blinde vlek der ziel, de vreemde gast

Sluiten