Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die zwijgend aanzit bij ons hunkrend heden En nog ons hart met haren druk belast : Zij is de schim van andrer levensdagen Hun dood, dien wij door 't eigen leven dragen!

Nog immers wil zij niet in nacht verdwijnen -

Nog rijst zij in het klimmend maanlicht weer

Om als een schim aan mij nog eenmaal te verschijnen,

Geest van zich zelf - want zij is het niet meer

Nu zij herrezen, verder schijnt te wijken -

Weldra een vreemde is! - nabij nochtans -

En nochtans immer minder te bereiken

In haar onwezenlijken dooden glans.

Is zij het beeld dan van het staag verandren,

De schijn: het teeken aan den overkant

Voor ons verdwaalde hart -? Zij is „het andre",

De schim van wat wij nimmer weten, want

Hoe hoog wij bouwen en hoe diep wij delven,

Wij kunnen nimmer uit ons blind bestaan,

Kunnen, den bodem zoekend van ons zelve,

Nooit wezenlijk „het andere" verstaan,

Nooit meer dan 't andre met ons hart omkleeden

Nooit meer dan 't koesteren in onzen geest,

Om weder uit den droom terug te treden

Naar de verbanning van een eenzaam beest, -

Alleen de dood is 't die dat heimwee lenigt

En uit den dool van dezen aardschen schijn

Ons tot dien kring van eeuwig licht vereenigt,

Waarvan we - als zij - gebroken stralen zijn.

Want Liefde en Schoonheid - zij die tot haar leiden,

Die ons opvoeren boven 's werelds waan,

Die ons, vereend, ter eeuwigheid bereiden

Door ons heur schemering te doen verstaan -

Wij kunnen haar maar blindelings belijden

Daar beiden in het witte zenith gaan,

Dat eens ons elk - ons eenmaal al te zamen

Sluiten