Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot de oorsprong keeren doet waarvan wij kwamen.

En juist zij beiden doen me op eenmaal dralen

Voor 't hoog visioen van de opgetogen brug

Naar gindsche zij: - thans zelf omhuld van stralen

En wit van licht, wijzen zij mij terug

Van haar, die met heur stomp geschonden leden

Nog eens voor 't lest in 't donker samenstort:

Beeld van een wereld uit een dood verleden,

Of - - is het van een wereld die nog wordt?

Beeld van mijzelf - van al wat, eens verworven,

Eens weer verloren ging - eens weder dort:

Beeld van een leven dat is afgestorven,

Of - - is het van een leven dat nog wordt?

Dat nog aan de eindpaal naar een doel mag grijpen,

Nog ééns zijn arme gaarde in het groen,

Nog eindelijk zijn vruchten mag zien rijpen,

Nog oogsten mag - O!.dat nog iets mag „doen 1

Weg! weg van hier! - wat heb ik met mijn dagen,

Wat met mijn gaven, met mijn geest gedaan

Dan droomen en verlangens aangedragen

In 't bodemloozé hart van mijn bestaan!

Weg! wegl voor dat het alles is verlorenl

Ver weg, naar waar 'k mijn kinderhart hervind -

O, laat mij nog de wereld toebehooren

Die komt - een wereld die begint - begint!

Daar doet de droom mij de' oever weer genaken Waar de aardsche taak van 't leven, onvolbracht, Mij dringt de vaart der zaal'gen te verzaken Voor het beloofde land, dat ginder wacht En mij ter laatste reize doet ontwaken Naast mij ruischt het van schreden door den nacht! En wie zal in het blinde duister raden Of wij niet reeds dat verre land betraden?

Sluiten