Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk een weerlichtschicht den nacht rijt en geen spoor

[laat,

Düs, weerlichtsnel, verschijnt, verdwijnt het leven. Maar gij, dwaas hart, gij denkt niet aan den dood.

Ik ben een zaad, dat m het zand teloorgaat,

Gij zijt de bergen, die ten hemel streven.

Mij trok de holle wereld — ik zag haar gróót —

Ik hóóp, o Heer, want Uw geweldige macht Zet in elk levend hart een vuur aan 't gloeien. Het is Uw wil, die mij op aarde bant.

Gelijk een trouwe hond houd ik voor Uw huis de wacht.

Ik heb U lief zooals de bloemen bloeien.

De wereld laaitl — Uw Naam slechts dooft den brand.

Sluiten