Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet eten. Zij moeten kleer hebben, allebei, en klot in de kachel om in den winter niet te bevriezen. Ha, ha! Klot is er zat in de peel. Och, maar wat is klot alleen? Niks. De nood bepaalt dit leven. Simon werkt, om te eten te kannen hebben. En hij eet zijn stapels brood mee spek, om te kannen werken. Hedde ge ooit eenen peelwerker zien eten? Sakkerdie. Ons menschen verwondert dat. Maar zijnen arbeid in de lengte der dagen van 's morgens in de vruugte toe 's avonds als het donker wordt, beult zijn lijf. Simon Wijnands slaat zijn kruis voor zijn brood, dankt God voor den dag als bij 's avonds achter het wijf te bed kruipt, en Zondags in 't kerkske van 't gehucht dan zit hij in de tien-urenmis en luistert naar den gloria. Naar den gloria en den credo, dien de zangers zingen van het klein laag koor in de kleine kerk. Da heeft niks ontroerends, 't Zijn ruwe kelen en ongeschoolde monden die het zingen, hard en rauw.

—Simon Wijnands heeft zijnen pad geloopen. Hij heeft zijnen weg geloopen, de breede baan langs dwars door de peel en komt op den zandweg, den muilen weg van wagensporen, aan zijn huis. Het is klein en laag en scheef. Een deur mee 't bovenlicht en een raam en een lagen schop en 't rieten dak erover. Bezijden, waar een half droge groen begroeide sloot aan den wegkant eindigt, daar staat eenen wilgeboom, de lichte kleine beweeglijke blaren in den kroon spreiden zich langs en aan het huiske. De eenzaamheid is er rontelom. De eenzaamheid is aan den zandweg die sluimerend verloren loopt in de barheid van de peel-

Sluiten