Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrouwd. Simon Wijnands eet zijn brood en de erpels in den olie gebakken. Zijn wangen staan bol. Zijn lippen zijn gekruld in eenen zonderlingen lach, waarin hij weinig geoefend is. Een durske? Een durske. En van meening een schoon. Simon, mee 't eten in den mond, komt nog 'es 'nen keer kijken. Neen, dit wonder verklaart en begrijpt hij niet.

't Heeft iets van een oud manneke, zegt hij. —Da's nou geen zeggen. Het beleedigt Drieka.

Eenen mansmensch heeft daar geen verstand van, zegt Drieka.

—Ze heeft gelijk. Hoe zou 'nen mansmensch daar verstand van hebben. Simon laat het zijn eigen gezeggen, hij gaat weer aan tafel zitten en eet. Hij voedt zijn arbeidskracht. Morgen in de vruugte moet ie weer naar de peel. Dit alles heeft een hoog en schoon doel. Simon Wijnands moet arbeiden voor vrouw en kind. De baker slaat haren neuzik om en gaat de deur uit. Houd-oe. Ze komt morgen v'rum.

—Als de baker de deur uit is steekt Simon Wijnands een pijp op en hij gaat evekes naar de goot. Hij komt den herd weer in en zet de wieg neer. De wieg? Jazeker, Simon heeft die zelf gemaakt. Een schraag en een zeepkist. Een kist mee blauw satinet gevoejerd. Eenen mansmensch heeft geen verstand van keinder, maar 'nen mansmensch heeft zijn handigheid. Het hout voor de schraag, dat had Simon Wijnands voor een appel en een ei op de turfstrooiselfabriek gekocht. Voor de zeepkist had hij 'nen halven stuiver gegeven aan Willempke Kuiten, die mee winkel- en ellenwaar

Sluiten