Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de peel vaart, mee kar en perd, en die de zeepkist op zijn kar meebrocht.

Asteblieft, hier was de kist.

De wieg!

De wieg natuurlijk! —'t Was een stevige kist. En of Wülempke Kuiten een paar el satinet had, rood of blauw of groen? Dat had de vrouw gevraagd. Hij had ze niet bij hem, Wülempke, maar hij zou het meebrengen, als ie v'rum kwam. En toen ie v'rum kwam, toen had hij satinet. Blauwe. En Door, Simon Wijnands zijn vrouw, kocht eenigte el, zooveul als ze noodig had. 's Avonds, mee zijn pijp in den mond, onder de bronolielamp in den herd, timmerde Simon de schraag en vormde de kist toe een wieg, mee een paar latjes als handsvatten. Zijn vrouw, mee d'r zware lichaam vooruitgestoken, holp hem met de voering. Toen hadden ze een wieg, een schoone wieg, voor zoo goed als geen geld. Daar stonden ze, de man mee zijnen ernst en mee zijn pijp, en de vrouw mee den schoot bollend onder d'ren blauwen scholk, daar stonden ze en hun handen lagen aandachtig en voldaan op het hout van de wieg, dit verworven geluk, dat in den nood voorzag. Ha! ha! Nietwaar? Simon Wijnands moest zijn plaats hebben in de bedstee achter 'twijf, ook in deze dagen. En nou, uit de bedstee, geeft de moeder het wicht uit handen aan den man, die het neerlegt en de dekentjes spreidt. Daar slaapt het kind, bewaakt en beschermd door moeders luisteren en door God's adem en oog, die alom tegenwoordig zijn. Ook in de hutten van de sj of eisten onder ons. Ook in de hut van Simon Wijnands.

Sluiten