Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, zegt Simon Wijnands.

_Toen kwamen ze bij het kerkje. Toen kwamen ze bij den pastoor en den koster. Bij pastoor Bartels en bij den koster Willem Steegs. O, diejen pastoor Bartels, da was nou oogenschijnlijk niet eene van de vriendelijkste menschen. Awóé, zee den pastoor, en zijn slappe hangwangen trilden en hij keek mee waterige oogen over de gouden randen van zijnen bril. Hij zee bekant geen een volledig en duidelijk woord, hij bromde en stiet geluiden uit. Da was geen kwajigheid, nee. Den pastoor zelf wist niet wat het was. 't Was moeilijk de dingen duidelijk te zeggen, 't was moeilijker nog veel te praten en de menschen mee 'nen vriendelijken glimlach tegemoet te treden. Maar waar hij nood en leed zag, daar was hij toch bewogen, midden m zijn hardheid. Hij leed het mee, gaf en holp en snauwde onderwijl. Awóé. De pastoor was in zijnen superph en mee zijnen purperen stool om. In het kerkportaal las hij uit zijn boek, dat rood op snee was, rood, en er hingen linten uit. Wat vraagt gij van de kerk Gods? Het geloof, zee den koster voor, en de meter zee het na. Ze keken allebei in hun boek, de pastoor en de koster. En de pastoor bües den onreinen geest van het kind weg en gaf het op zijn voorhoofd en zijn kleine borstje het kruisteeken. En toen het kind het gezegende zout op het tongske wier gelegd, toen begost het te schruwen en 't schruwde bekant toe het emde toe. De pastoor zijn hangwangen sidderden van het vlugge latijnsche bidden, zijn rose schoongewasschen vinger sloeg de blaaikes en af en toe dan zee ook de koster

Sluiten