Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ge moet geen amen zeggen.

O, zee jan Olie. —Maar later, toen 't uit was, toen zee den pastoor: Dominus sit tecum.

Amen, zee den koster. —Die jen Jan Olie, hij trok zijn wenkbrauwen in de hoogte, keek naar den koster en schudde zijnen kop. —Nu gaan zij in vrede. Simon Wijnands had er al den tijd, mee zijn pet in de handen, verlegen bijgestaan en gekeken naar alles wat de pastoor deed en geluisterd. Den naam van Maria Magdalena was ingeschreven. Awóé, had de pastoor gezeed en hij was weggegaan, de sacristij in. Simon Wijnands gaf den koster wat in de hand, och, niet veel, een kleinigheid, zooveel eenen armen mensch missen kan. Voor den koster. Asteblief. En voor den pastoor en de kerk. Asteblief. Nu gaan zij in vrede. Den liturgischen groet, dien de pastoor hen had meegegeven. Maria Magdalena, de kleine, is witter dan de witste sneeuw en zuiverder dan het zuiverste kristal dat God de Heer schiep, in 't witte doopkleed, dat haar zielke kreeg uit den hemel waar de engelen uit Gods genade het weefden. Maar daarover spraken Mie van Dinther en de baker en Simon Wijnands en Jan Olie niet. Nee. Mie van Dinther klaagde erover, alsdat den pastoor toch evel zoonen norschen mensch was en grif geen woord tegen oe zee. Maar Simon Wijnands, diejen man, hij liep nu ook met zijnen kop gebogen. Hij zee d'r ook zooveel nie, diejen Simon. Hij had zijn petje afgevat en gezeed: dag mijnheer den pastoor. En toen 't afgeloopen was, toen had hij gezeed: en wel bedankt.

Sluiten