Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peel, bij Doreke Moes en d'ren kostelijken jenever, want voorwaar Simon Wijnands, ge gelooft me niet, maar de wereld is rond en we vallen er niet af en we hangen er mee den kop omlaag tegenaan, zooals bijen in den zwerm en we zwermen, we zwermen, Simon Wijnands, gij en Doreke en ik, en we zijn vrienden en we blijven vrienden, maar ge moet me niks vertellen alsdat de wereld niet rond is, want ze is zoo rond als te mieter.

Als te mieter, zegt Simon Wijnands.

Wa zijdege toch evel 'nen mondfiat, zegt Doreke Moes.

Nietwaar, Simon, as te mieter, zegt Jan Olie, gij bent 'nen mensch, die mij begrijpt, zegt Jan Oüe, wij begrijpen elkaar.

—Zeker, ze begrijpen elkaar. Er is zooveel hartelijke genegenheid. Jan Oüe heeft Simon Wijnands zijn hand weer gegrepen en drukt die teeder en hartstochtelijk en zeer langen tijd. Jawel, 't gaat zoetjes aan al donkeren. Ze staan hier al een heel hort je bij den toog hun borrels te proeven en te wiegen en elkander mee stompen en schouderslagen te üefkoozen. Doreke Moes moet het petroleumlampke er bij halen als zij eindelijk gaan afrekenen. Zij teüen lang hun stuivers bijeen en dan gaan zij, na een teeder, hartroerend en langdurig afscheid van Doreke Moes. Dan komen ze buiten. Het laatste ücht vloeit weg over de peel. Zij sukkelen vooruit, twee figuren, klein tegen den verren einder, tegen den hoogen hemel en de diepe vlakte. In heel verre ruiten komen er üchtjes te pinken. Bij het huis van Simon Wijnands, daar onder den wüge-

Sluiten