Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zon schijnt in dit simpele peelhuisje. De zon. De vloer is helder en de muren zijn vol ücht. De moeder, na haar dagen, is overeind in den herd. Zeker, dat gaat gauw genoeg. Zij pakt het kiendje uit de wieg en legt het in een kussen op de witgeschuurde tafel. Het kiendje knijpt zijn oogskes voor de zon. De moeder verlegt het. De moeder pakt het kleine durske uit, maakt het kleine lijfje heelemaal bloot. Nou neemt zij 'nen geëmailleerden waschbak, mengt koud en warm water dooreen, en dan wascht zij het kind, dat zijn keeltje wijd openzet. O, zoo is Door, dat ze het kiendje wascht. De meeste moeders doen het niet, ze wasschen amper het mondje, want al dat water, dat is niks waard voor de klein. Maar Door heeft het van een jonge baker uit de halt, die gonk te keer, dat de klein van de vuiligheid stierven. Die waschte ze zoo, mee lauw water. Door is een verstandige moeder. Nu zij alleen is mee het kiendje in den herd, wat gaat er in haar om. Zij begint te zingen. Zij zingt luid en schel en 't is een onmogelijk liedje dat zij zingt, terwijl haar handen zoo druk bezig zijn en het warme rillende lijfje wrijven. Zij wrijft het droog en schoon van zeep en water en houdt in haar twee handen het wicht bloot op tafel en kijkt mee nieuwsgierige oogen. Een lijfje. Een buikje, armpjes en opgetrokken beentjes. Een rond hoofdje op een hals met rimpels. De moeder buigt zich. Zij plaatst haar vollen mond op het teere warme vleesch van het buikje en kust en kust.

—De moeder, in de zon, zit en heeft het ingebakerde kind aan de borst. Zij heeft haar kleeren van boven los

Sluiten