Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt, de volle, blauwdooraderde borst genomen en ermee het gretige mondje gezocht, dat tastte, mistastte, huilde en eindelijk het voedsel voor zijnen honger vond. Nou ligt het kind stil. Een hartje klopt. Een mondje zuigt voedsel. De moeder kijkt toe, kijkt neer op haar borst en op het roode mondje. De moeder kijkt neer, kijkt toe. Zij zit, in de zon, mager op haren stoel en houdt het kind, in al zijn kleerkes gepakt/ tegen zich aan en geeft van haar leven aan dit van haar kind. Haar kind, dat honger heeft en groot moet worden.

—Nadien, als 't kind zijn eten heeft gehad, dan legt de moeder het weer in zijn kist, de zeepkist, de wieg. Daar, mee gestilden honger en voldaan, gaat het zoetjes slapen en de moeder, onder haar werk, verstilt de geluiden, die zij maken moet. Zij loopt zachter door den herd. Als zij den herd keert, vermijdt zij het laweit. Zij doet stilletjes als zij de kachel gaat aanmaken voor den avondskost, voor haren mensch.

—Haren mensch. Bij donker avond komt hij thuis. Hij zegt zijnen korten, gebromden groet en gaat zitten aan de tafel en wacht zijn eten. Den kostwinner wacht zijn eten. De vrouw heeft het voor hem verrig gemaakt. Simon Wijnands krijgt zijn gebakken erpels en zijn brood mee spek. Hij eet. Hij duwt het eten tusschen de tanden weg en kauwt fel. Hij eet mee groote en geweldige happen en slurpt uit zijn gebloemde kom den koffie. Nadien veegt hij mee den rug van zijn hand zijnen mond af. Hij stopt een pijp en hij gaat een hort je den hof in en staat en loopt

Sluiten