Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn mieljoenairs, zegt Jan Olie. Ja, zegt Simon Wijnands.

Ze wonen in zalen en slapen in bedden mee vrouwen zóó schoon da gij het oe eigen niet verbeelden kant, zegt Jan Olie. Die vrouwen liggen mee d'r schoon wit lijf in watten, dons en witten kant, zegt Jan Oüe, en d'r voetjes zijn zoo s*choon, da d'r menschen ze op wiüen eten en er op knabbelen.

Knabbelen? vraagt Simon Wijnands.

Knabbelen, zegt Jan Oüe. Heeft oe wijf schoon voeten?

Ze zijn nog zwarter als de mijne, zegt Simon Wijnands.

—Jan Oüe trekt op gewichtige wijs aan zijn pijp, de blauwe rook walmt rontelom zijnen kop en danst boven het heet kacheltje.

Als lijken in den grond zijn we allemaal net eender, zegt Jan Oüe, of we op voetjes geknabbeld hebben of niet en of we donzen bedden hebben gehad of stroo.

Ja, zegt Simon Wijnands, ge moet aan die dingen niet denken.

Aan wat voor dingen niet, vraagt Jan Olie.

Aan niks, sakkerdie, zegt Simon Wijnands. Wat weete gij er af, wat er in de wereld te koop is?

Nie veul, als dat er rijkdom en armoe is, Simon Wijnands. En veul slechtigheid en weinig goeds.

Ja, zegt Simon Wijnands, en hij zit er ook al zoo gewichtig te rooken en nadenkend mee zijnen kop te schudden.

Denkte gij nou echt, dat er 'nen üeven Heer is, vraagt Jan Olie. (

Sluiten