Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-—Ha, ha! wa is me da nou voor een vraag. Heeft Jan Oüe da van zijn zwerven door de peel als hij gebogenhoofds loopt en voor de dokkerendé wielen van zijn karretje kijkt?

Natuurlijk is er eenen üeven Heer, zegt Simon Wijnands, da weet toch iedereen. Ge hebt soms gekkepraat, Jan Olie, zegt Simon Wijnands.

Ja, zegt Jan Olie. Ha! ha! zegt ie. Men heeft het goed. Een kachel, een pijp en een bed. 't Is net als ge zegt: er zal hendig 'nen üeven Heer zijn.

Ik doe op huis aan, zegt Simon Wijnands, ge hebt zoonen gekken praat.

Bè, Mie nog 'n hortje, zegt Jan Oüe. Vat en stop, zegt ie en hij geeft Simon Wijnands den toebak. --Simon Wijnands stopt zijn pijp en blijft zitten. Ze zitten dan een hortje stil bijeen, de twee mannen, en zij hooreh den wind brommen in de kachel

Eenen mensch kan soms gekke dingen droomen, zegt Jan Ohe. Ja, zegt Simon Wijnands.

Eergisternacht droomde ik, dat er iemes in den nerd was. Ik zag hem van uit de beddekoets. O ja? zegt Simon Wijnands.

"t Was maar een klein manneke mee 'nen grooten kop O ja? r"

Ja. Maar feitelijk was hij toch niet zoo klein Rij nad maar halve beenen. Halve?

Ja. Hij liep op zijn knieën. Da waren ronde stompen. Boem, boem, zee-g-et, als hij door den herd beende, mee die knieën.

Sluiten