Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

#

Hij heeft twee stel onderboksen en borstrokken, zegt Jan Olie. Een voor het verhezen. De ander draagt hij. Tegen den winter dan doet hij een stel weg aan den koster, die het afdraagt, en dan koopt hij eiges een nieuw. Dat draagt hij den heelen winter. Tegen den zomer is het dan krek precies zoo wijd dun doorgesleten dat het net geschikt is voor zomerdracht. Hij heeft het me eiges verteld. Ge moet al oe kleeren mee verstand dragen, zegt de meester. De koster Willem Steegs, die draagt zijn borstrokken en onderboksen af en zijn versleten pakken. Maar de hoeden wil hij niet hebben. Die zijn hem te groot. Die zakken toe over zijn neus. De meester heeft 'nen grooten kop. Hèrses, zegt Jan Olie. —Hij zwijgt. De beide mannen bukken naar het kacheltje. Ze voelen de warmte aan hun wangen en hun oogen staren in de spleten klaarheid, waar ze 't vuur, van den wind aangeblazen, door de reten zien. In den donker gaat Simon naar huis. Simon was, onder ons gezeed, niet zoo spraakzaam. Hij zee nooit zooveel tegen zijn vrouw. Toen hij nou thuis kwam, toen zee hij: —

Jan Olie, da's eenen eigenaardigen eenen, zee-t-ie.

—De lange donkere winter. En daarna het lengen van de dagen, als ge voor het eerst weer de blijdschap en den angst gevoelt van 't vroeger en later licht. Een berk hier en daar, wit en grauw gevlekt tegen den blauwen hemel, is vol gewuifd mee klaterende groen. De slooten mee hun rimpels liggen te blikkeren onder helderen wind en zon. De peel heeft haar stem. Een sleepertje komt door het kanaal, ge hoort den donker

Sluiten