Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—D'r hongen platen in de school tegen den muur: de lente, de zomer, de herfst en de winter. In de lente kruifden de witte wolkj es in een lucht van bleek blauw over de wei, waarin de schaapkes bij de bloemen dartelen. In de zomer staat het koren grif en dik geel onder een lucht van diep blauw. In den herfst vallen de blaren rood en geel af en we klimmen op een leerke bij de appels en de peren in de boomen, om ze te plukken en in groote manden te vergaren. In den winter ligt de wereld versneeuwd, een verstopte schoorsteen rookt in den dag, en langs een vervroren water daar staan de knotwilgen kaal en zwart en schieps vooruit gesteken mee d'ren dikken kop. Marieke keek veel naar die platen en 't vertelde zijn eigen hoe het er zelf bij was in die werelden. De schaapkes streelde en bloemen plukte in 't koren, 't Stond op het leerke in de boomtakken en plukte een mand vol appels, 't Slibberde over de slibberbaan van het ijs of 't zat gekleumd zijn eigen te warmen in 't dichte huis waar boven 'nen bult in het land de schoorsteen rookte. Zoo kende Marieke de wisseling van de goede seizoenen, naar de wijs waarop zij ze in werkelijkheid en verbeelding doorleefde. Maar in de school van den bovenmeester, waarin Marieke nog niet mocht komen, daar hongen nog veel grootere en schoondere platen. Als zij buiten voor de raam op haar teenen stond, dan kon zij ze zien. Zij kende er een: 'nen heelen breejen boom mee een klein manneke eronder. En een andere mee herten. Een heel hooge en lange plaat gespannen tusschen twee zwarte latten. Daar, op die plaat, stonden zwarte en blauwe, roode en groene vlekken op

Sluiten