Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den kwajen tijd. Het brood staat opgeschreven toe te lente. Ze hebben alles uitgezuinigd. Al in geen dagen heeft Simon Wijnands, onder ons gezeed, geen pijp toebak meer gerookt. Simon Wijnands staat in den herd, beschaamd en klein. Nou kan hij vloeken om zijn onmacht en mee zijnen kop in de handen gaan zitten. Een pop. Simon heeft handen mee kracht, die het leven moeten kannen zetten en buigen. Daar staat hij en hij is machteloos om dit te verwerven. Een pop. Zijn hart gromt inwendig, om die geldarmoe, bitter van den oogenbük. Simon zet zijn pet op. Simon gaat zwijgend de deur uit. Hij zou 'nen roover willen zijn om het te halen op een boerderij uit de diepe lade van een kast in de goej kamer en den boer die hem hinderde neerslaan mee 't geweld van driftige en verpletterende vuisten. Da's maar gekkigheid, zoo'n gedachte. Door ziet haren mensch gaan en heeft een plotselinge hoop, alleen al, omdat hij de deur uitgaat en het zal ondernemen. Van dit oogenbük af, wachten haar hart, haar ooren en haar oogen. Zij kijkt naar het leertje op den muur. De verwachting, die het teekende, gelooft in het wonder, dat de hemel er zijn boodschapper en zijn gaven langs zal doen nederdalen. Simon Wijnands zijn vrouw had lachend naar het kind gekeken, toen het mee krijt zijn leertje teekende. Kunnen Sinterklaas en zijn perd hier langs?

Verlangen en twijfel en gelooven bouwen ladders

toe aan de voeten, toe aan den gümlach van God, voor wien er geen groote afstand is tusschen een kind en ons groote menschen.

Door den donkeren avond langs den zandweg is

Sluiten