Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Simon Wijnands gegaan en hij is gekomen bij het huis van Jan Oüe, het huis dat een klein eindje af ügt langs den weg van wagensporen.

—Daar binnen die vier muren, daar onder het lage dak, daar onder dien rook, die wit in den nacht naar dé sterren stijgt, zit Jan Oüe, ja diejen rook getuigt van hem en van den klot dien hij stookt. Simon Wijnands ziet den schaarschen schijn in het bovenücht, hij ziet de ribben van den lagen zulder. Simon stoot den knie tegen de deur en grijpt den klink. Hij staat in den herd. Jan Oüe, bezijden zijn kacheltje verücht van den weerschijn, zit gewarmd bij het vuur, dat het leven hem schenkt. De vlammen van den klot en van den zeer kort gekapten mutserd en van de sissende en knappende küppelkes, zij bibberen door de reten en scheuren van 't oud kachelke en spelen in de rimpels en de vakken van het hoekig gezicht van Jan Oüe, en Jan Oüe zijn oogen, in hun stilstand, dansen daarin. Jan Oüe kijkt bezij en hij ziet Simon Wijnands staan in den herd.

Vat een eind hout uit den herd en schuif het hiejer onder oe gat, zegt Jan.

—Asteblief. Simon Wijnands geeft aan de uitnoodiging gehoor en hij heeft zijnen stoel gevat en komt aan den anderen kant van het kacheltje zitten. Hij heeft zijn blokken van de voeten laten vaüen en zijn kousevoeten op den stoelsport gezet. Zoo zit hij in elkaar gedoken, de eüebogen op de knieën, den kop in de handen. Net als Jan Oüe, kijkt hij door de reten van het kacheltje in de kern van het vuur. Zoo zitten zij aüebei een hortje stü te kijken. Wat Simon Wijnands aanbetreft, ge moet weten, die dingen zijn niet plei-

Sluiten