Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

looven, dat het perd die heeft opgegeten. Alles is goed. Simon Wijnands en zijn vrouw gaan nadien te bed. Ze liggen in de bedstee, elk den anderen kant mee 't gezicht, in hun eigen warmte, mee hunnen eigen hartslag. Een zulder en een pannendak sluiten den hemel voor hen af en de sneeuw, die grijzig in het nachtzwart dwarlt en zeeft, en danst, over den schoot van de woelende diepe peel om hun huiske. Hun huiske. Eenen mensch en een vrouw en hun twee keinder, een durske mee zonheldere droomen over het speelgoed, dat bij een klompke wacht aan de kleine schouw.

—Den volgenden morgen, dan is de wereld wit getooverd: overal. Groote oogen aanschouwen dit en een hartje, trillend van ongeduld, vraagt aan het wondere van den dag, of het wezenlijk waar is? Zou er alles zijn? Haar verwachting en haar vrees springen het tegemoet. Daar behoeft ze geen kousen voor aan te trekken. Barrevoets staat het durske in den herd. De vlugge oogen zoeken. Waar? Waar? Moeder? Jawel, kijk maar. Moeder zegt het niet en lacht. Vader? Vader beschermt het geheim en lacht. Dan komt de juichkreet. De nieuwe sprong. Het bezit, dat ze houdt mee kloppend en bonzende hart. Het stond mee zijn handen vol en 't schrééuwde, en zijn oogen, groot van schrik, konden niet genoeg kijken. Het riep om vaders en het riep om moeders, 't Was stil en 't boog zich. Op zijn kniekes gezeten, lee het de pop weer in zijn bedje. Dan komt de kleinste, uit zijn bedje gekropen, op zijn kniekes over den vloer en 't blaast gedurig achtereneen zijn harde toetert je. Marieke vat de pop weer uit

Sluiten