Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dorp langs 't station treinen langs uit het noorden en ze gaan naar het zuiden, ze zitten vol soldaten, die aan 't kleine station buiten alle portieren hangen; stampvolle soldatentreinen, en op het station zijn houteren kuipen en zinken bakken verrig gezet vol water voor die heete en dorstige monden, het wordt hun toegereikt door de jonge vrouwen mee brood voor den honger uit de gebrachte manden. De angst draaft door de dagen van den grooten tijd en iedere morgen heeft zijn wreeder nieuws van grooter en schrikkehjker ramp en van legers uit alle landen die gaan vechten met elkaar.

—Toen 'nen dag moest ook Simon Wijnands gaan, den landweerman. Hij kreeg zijn tijding thuisgebracht van den gemeentebooi. Hij zat er op te kijken, op dien bevelenden en gewichtigen roep, die plechtig en plotseling in zijn leven klonk, hij zat er overdonderd in den oorlogsangst, stom en gesloten bij zijn wijf, dat jankte van de droefheid, dat haren mensch opgeroepen was. Dat zijn de hoogere machten. We zien ze niet. Wij kennen ze niet. Maar op eenen goejen dag weten ze ons te bereiken mee hun bevel, waaraan we gehoorzamen moeten. Ze aten dien avond hun brood anders en bitterder, het veranderde brood. Wat was het harde leven goed geweest in zijn breede rust, zonder deze nieuwe gevaren, het leven van nood en armoe, maar zonder het ongeluk, den dood en de ramp en den moord, het leven waarin alles vast stond en de dagen geordend kwamen en gingen. Simon Wijnands in den herd bij zijn vrouw en al zijn jong, in hem was

Sluiten