Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heelcn olie naar de verdommenis loopen en 't gekke was, dat hij toentertijd toch naar Doreke Moes kon gaan en daar stond hij aan den toog en dronk zijnen borrel. Doreke Moes voelde zeker het gemoed bezwaard.

Waar haalde gij de centen vandaan? vroeg Doreke Moes.

Doreke, zee Jan Olie, vraag ik, waar gij ze van hebt? Vraag ik waar gij oewen jenever van hebt? —En Jan Oüe kneep z'n een oog dicht. Hij üet krek niet meer los, alsdat hij kwijt wüde zijn. Hij kwamp nog al 'es hier en daar, en hij had zoonen vreemden mieter leeren kennen, zoo eenen van de zwarte bende, die er toen bij ons was, zoo eenen van den donkeren kant en die van overal vandaan kwam. Hij droeg 'nen regenjas en kaplaarzen en hij booj geld als Jan Oüe kisten haalde en wegvoer, kisten mee zeep en groote builen thee en zakken suiker. Hij hoefde niks te doen dan ze te halen in 't dorp en ze weg te brengen in de richting van de grens. Hij voer mee zijn wagentje door den stülen en kouden nacht en zocht zijn wegen, waar geen sterveling kwam. Zijn kisten en pakken, die wieren daar ergens overgenomen, door de menschen van de zwarte bende en diejen vreemden mieter, mee zijnen langen regenjas en zijn kaplaarzen, die was er bij en Jan Olie kreeg zijn centen en hij leed om de verdommenis geen armoej. Als hij later bij Doreke Moes weer aan den toog stond, dan zee-t-ie:

Den handel, Doreke, den handel. Het hoeft nou krek geenen olie te zijn en ge hoeft geen klanten te hebben, die ge weet te wonen. Den handel, Doreke, en den oorlog.

Sluiten