Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kapotte horretje neergelaten voor het raam, dan schoof hij de lade van de tafel open en haalde er zijn geld uit. Zijn geld, sakkerju. 't Waren geen duuzenden, verre vandaar, maar hij kost het vatten en 't lang achtereen uit zijn handen laten vallen op het tafelblad. Dan rolde het en hij ving het op mee d'ander hand, hij lee den eenen gulden over den anderen, toe korte, kromme reeksjes van vijf, streek ze bijeen en maakte stapeltjes. Tusschen zijnen duim en de handpalm viet hij die gezellige stapeltjes en liet ze neerglijen. Pats, pats. Daar staan ze. Ronde torentjes. Ze staan wat scheef. Hij duwt ze mee duim en handpalm effen recht en bekijkt dat. Dat heb ik. Wat kan ik ermee doen? D'r is weelde te koop op de wereld. Misschien heeft Jan Olie in zijn eenzaamheid wel een diepe behoefte. Daar zal het geld voor zijn. Als hij heel rijk wordt, wat zal hij dan allemaal doen? Voor geld is alles te koop. D'r rilt iets door Jan Oüe heen, 't gedacht, dat een groote losbandigheid mogelijk wordt. Hij ife alzeleven alleen geweest, Jan Olie. Hij hoort hier zijn eigenste stem tot zichzelven. Soms spreekt hij de stilte toe. Soms zegt hij in zijn eentje: sakkerju, wat zou het?fSoms zegt hij: een wijf, een wijf, een wijf! Dan grinnikt Jan Oliej Soms stoot hij geluiden uit, een scherpe keelklank. Pchè, pchè, pchè, zegt Jan Olie. Soms gaat ie temidden in zijnen herd staan en grinnikt dan, trekt grimassen, leelijke lachgezichten en laat dan ineens zijn gezicht verstarren. Dan zegt hij: boe, boe! Uit de hoeken van den herd roept hij een beeld op. Hij roept den dood op. Kom, scharminkel, kom, manneke van bleekeknekels! Dorre knokkels rikketikken op de donkere deur, op de

Sluiten