Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verborgen ruit, roffelen boven hem op den zolder. Boe, boe, zegt Jan Oüe. Hij zit nou mee zijn geld. Hij ruikt eraan. Hij neemt 'nen gulden, legt hem midden op de handpalm en sluit zijn vingers erom heen. Dan laat hij 'nen gulden draaien op zijnen kant en slaat hem met de vlakke hand ineens plat. Hij leest vervolgens het randschrift: God zij met ons. Dat is een gek duig. Zal God met de guldens zijn? Zal God met ons zijn die de guldens dragen? Jan Oüe schuift de laaj weer open en graait van het tafelblad het geld in de laaj. Dan zegt hij: vannacht laat ik het in de laaj üggen. Morgen stop ik het in het strooj van mijn bed en ga erop slapen. Overmorgen leg ik het in de klotmand en leg er den klot boven op. Iedere nacht stop ik het ergens anders. Dan kannen ze kommen als ze 't stelen willen. Ze vinden het niet. Hij heeft geen wapens, Jan Oüe. Hij heeft alleen maar een scheermes op de beddeplank in de bedstee. Jan Oüe kleedt zijn eigen uit. Hij schiet zijn klompen, zijnen jas en zijn boks uit. Hij salueert tegen den hoed. Wel te rusten, hoed van den meester, zegt hij. Hij blaast de lamp uit. Dan kruipt bij in de bedstee, op het stroo en onder de todden van dekens en baalzakken. 't Is goed te üggen. 't Is goed een bed te hebben, dat oe beveiligt voor kou, voor den nacht en voor den wind.

Den wind, den wind is om zijn donker huisje heen.

Diejen Jan Oüe, nou heeft hij de spookbeelden en den dood opgeroepen en zij gehoorzamen zijn verbeelding. Hij ügt en staat in een donker leven. Overal gaat de donkere roffel van dreigende knokkels en de stem

Sluiten