Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam buurten en ze zaten weerskanten van de plattebuiskachel prating te maken en rookten een sigaar uit het zakje, dat Door voor de kerstmis gekocht had. —Simon Wijnands had wat van de wereld gezien. Hij zee, net als zijn vrouw, gindswijd. Gindswijd waren vreemde dingen. Ongetwijfeld. Maar Jan Olie het zijn eigen niet overtroeven.

Ik weet er alles van, Simon Wijnands, zee Jan Oüe.

—Da wist hij: In twee handen hield hij zijnen aardbol vast en tuurde naar Azie en Austraüe. Ge moet Jan Oüe niks wijs maken., 't Geld en 't wijf, zee Jan Oüe, niewaar Simon? En dan hoeven we mekaar niks meer te verteüen. Van geld gesproken, dat had hij, Jan Oüe. Daar was aan te komen. Maar een wijf? Ha, ha! ik heb geen wijf, maar gindswijd kande ge ze voor een bietje geld van de straat meenemen. Zeker, da wist Jan Oüe. De stad. Simon Wijnands had de stad gezien. Huizen en üchten, en op straat üepte ge tegen elkaar op te botsen. Er zijn rijke huizen en rijke menschen, Simon, zee Jan Oüe, ge hoeft me niks te verteüen. Hedde ge de dames gezien mee voetjes net zoo klem als konijnenpootjes en mee dierenveüen om d'r lijf? Dierenveüen ?

Dierenveüen! Ha! ha! zee Jan Oüe, en mondjes net zoo klein en net zoo rood als 'n lucifeerke. Jan Olie trok zoonen mond. Ze zeggen: o! Ze zeggen: wat leuk!

—Door lachte om diejen gekken Jan Oüe. Maar Simon Wijnands had nou ook zijn gedachten, over de onderdrukking van den werkman.

Sluiten