Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Scheit, zee Jan Olie. Dat zallen ze oe daar vertellen en dan is de verdrukking uit. Als ik wat te zeggen had, zee Jan Oüe. Maar die hoog mieters in het buitenland, ik wou da ze maar ophielden mee die kunsten mee hun kanonnen. Niet, dat ik er slechter af geworre ben, d'r is voor mij eenen cent aan te verdienen geweest. Als ge maar een bietje weet uit te kijken. Maar de eüende, Simon! En ze houden ou en een ander maar van het werk af. Maar 'k zie oe gauw v'rum komme. Ik hoop, dat den Pruis op zijnen kop krijgt, zegt Jan Olie.

Zoo zaten ze en maakten prating en als de jong in

den herd kwamen, dan was het vandaag Jan Oüe, die een spreuk moest verteüen.

Kerstmis ging voorbij, Simon Wijnands trok zijn

soldatenpak weer aan en hij deed weer weg naar gindswijd, Simon den miüeien. Hij ging den weg en den harden pad. 't Was gek. Hier was hij gegaan en had zijn tuig naar zijn werk op het turfveld gedragen. Hier was hij gegaan de keeren dat een keind van hem gedoopt wier. Hier was hij gegaan en droeg een popke en kinderspeelgoed, jaren geleden. Nou gong hij naar gindswijd, waar zijn handen een geweer moesten vasthouden, waar hij gekke fratsen mee moest gaan staan maken voor zoonen vreemden mieter. Geef acht! Scheit, zou Jan Oüe zeggen. Scheit, scheit! Zeg da tegen den serzant en den kapitein, had Jan Oüe gezeed, die ou een geweer in de hand geven, om oe ge weet nie voor wa te laten schieten. Simon Wijnands ging. Zijn vrouw had hem na staan kijken op zijnen weg door de wintersche peel.

Sluiten