Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gong in de bedstee liggen. Dan was 't hendig een groot durske in den herd te hebben, da voor vaders kost zorgen en voor de jong en de boodschappen deed voor de broodkaarten en de bonnekes in 't dorp. —Simon Wijnands, wat had hij meegebrocht van gindswijd? Een herinnering aan kwaje dagen, aan een vreemd heimwee naar huis, aan een verloren staan in den vreemde en aan een vernedering als hij toegebruld wier, wanneer hij daar stond, onnoozel mee zijn geweer, een herinnering aan de marschen die hij maakte, sjokkerig mee den troep, grijs van 't poffen op de heete wegen. Nou, soms, dan had hij zijn buien van diepen onvrede, waarin hij norsch was tegen de vrouw en de keinder, waarin hij schei terig in den herd zat mee angst voor de toekomst en mee zorg. Als hij maar werken kon; zwijgend zijn werk doen midden in de dagstilte van de peel, da was best, maar hij was al weer angstig voor het eind van den zomer en voor den winter. Hij had kracht genoeg in zijn vuisten. Sakkerdomme. Hij kost soms overeind staan in den herd, mee zijnen gekromden rug en de handen in de zakken, voor de donkere raam. Hij keek zoolang naar buiten toe hem daar iets riep. Dan gong hij een eindje den weg op langs eenen sloot. Daar stond hij, een figuur tegen den hemel, een uur aan een stuk, stü als eenen paal.

—Jan Olie kwam en maakte prating. Hoe stee-g-'et mee ou, Simon Wijnands? Simon Wijnands bromde wat. Hoe gaat het met ouwen handel, vroeg hij op zijn beurt.

Sluiten