Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heven en ügt uitgestrekt, hij heeft de plank, die de zijkant van zijn bed verhoogt, opgetrokken, en ügt veiüg achter de verschansing. Hij hoort het harde tikken van den wekker, die opgewonden is om morgen vroeg stipt op het uur af te loopen. Dan, dien morgen, laat meester Bladder op den ratel van den wekker, de plank zakken en stapt in den dag, in de school, in het leven. Maar nou heeft meester Bladder een ontdekking gedaan. De klok in de huiskamer, die schoone pendule in den franschen stijl, die is me zoo waar in een etmaal zeven minuten achter gaan loopen. Daarom sprak meester Bladder die rakker van een klok toe, zette haar geüjk en wond haar op. Maar ze beterde niet. Meester Bladder stuurde eenen schooljongen naar het dorp, naar Janus van den Broeke, den loziemaker met de schriftelijke boodschap, om s'ü vous plait om kwart over vier uiterüjk half vijf de klok eens te komen nazien, aangezien zij achteruit loopt door een vooralsnog onopgehelderde oorzaak. Uwe komst gaarne tegemoet ziende, hoogachtend W. J. Bladder, hoofd der school.

Janus van den Broeke stuurde zijn knechtje. En

da knechtje kwam uit het dorp naar den meester. Hij kwam om kwart voor vijf.

Wie ben je? vroeg meester Bladder.

Ik ben den loziemaker, zee den jongen.

Zoo, zee meester Bladder, het staat je vak niet fraai, dat je een kwartier te laat bent, jdhge man.

De jonge man kwam niettemin binnen en keek de

klok na.

Meneer den bovenmeester, zee-t-ie, ze is vuil.

Sluiten