Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen haar. Ze moest mee hem lachen. Maar na het vallen van den donkeravond, toen wier ze naast diejen jongen stil. Ze liet het toe, dat deze jongen haren schouder aanraakte mee zijnen arm en zij gongen den zandweg door de korenvelden.

—Het koren stond plechtig van de stilte en op de hooge halmen wuifde de aanwezigheid van 't klaar nachtlicht in de pluimen en een hooge boom stond zwart geheven. Het koren geurde, en Marie en den jongen, zij gingen achter elkaar eenen smallen voetbreeden pad door 't koren, 't koren dat hoog stond als zij zelve waren. De aren dansten en sprongen in hun oogen en zij sloten de oogen dicht voor de kittelende geeseling van die harde stalen. Ze lachten om 't pleizier van dit vreemde gaan door een wuivende duisternis en hun handen heten zij in de halmen spelen en stroomen door den overvloed van rijpende graan. Verderop stond de groene en lage haver te geuren. En den veien grond, waarop hun stappen gingen, en er was allerwege de lauwe en koele warmte van den nacht. Ze kwamen langs een boerenerf mee veel boomen ervoor, het rijpe en stille loover van de zware zomerende linden, daar was het evekes warm onder en welriekend van zware geuren, en klaar aan den hemel helmend klonk er het volle gefluit van een milling en den tjuikslag van een vink, die op eenen boomstam zat en zijn wijfke in zijn nest zag broeden. Dan kwamen zij onder de boomen uit in koeler lucht. Loover en vogelen, de warme aarde, de goedheid van den rijpenden zomer, en als ze naar huis deejen langs den klinkerweg, daar stonden de hooge populieren

Sluiten