Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langs hunnen sloot, zij stonden scheef en hoog geheven en daar boven streelden zij mee stroomende en ruischende blaren den hemel in de stilte van het nachtelijk avonduur.

Marie van Simon Wijnands was stil geworre en den

jongen, die bij haar was, wist niks meer te zeggen. Hun gedachten ondergingen den avond niet, maar een uur van de wereld als dit legt zijn zwijgen op uit eendere wet aan de zielen. Zij gingen na den klinkerweg vervolgens den kiezelweg door het gehucht, waar de huiskes rond de slapende kerk stonden bijeengetroept, dan kwamen zij op den rullen zandweg naar de peel. Toen zij onder den wilgeboom voor Marieje d'r huis gongen scheiden, toen zeejen ze houd-oe tegeneen. Marie kwam in den donkeren herd en moeder riep uit de bedstee:

't Is schand, zoo laat als ge evel komt binnenvallen. Sluit de deur.

Een bestraffende opmerking, want als ouder zijnde

moete ge dubbel oppassen voor een dochter, die de jaren van deze jonkheid heeft gekregen.

Marie zee:

Wel te ruste!

Ze gong den opkamer trap op. Sinds ze een grooter

jong durske geworre was, sliep ze nie meer onder de jong op den zulder, maar had ze op d'r opkamer d'r eigen vertrekske zooals ze 't vroeger had toen ze uit de wieg was gegroeid en op de opkamer haar bedje kreeg. Ze dee de deur dicht en kleedde zijn eigen uit. Zij schoof het raam open en in haar hemd en 'r nachtjakske gong ze uit het raam hangen. Ze keek over den stillen hof en luisterde naar 't suizen van den

Sluiten