Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen en zijn eigen voor d'ander, voor mensch en keinder alles te ontzeggen.

Marie, den zomer lang, dan waren de tochten naar

en van haar werk plezierig zat. Nadien ging zij in den donkeren herfstmorgen, dan was de wind haar gezel. Hij rukte ineens aan de struiken, die in een plotselinge siddering bogen. Hij streek over de spoorgraaf en joeg de rimpelen over het water voor zich uit. 't Wier lichter naar gelang zij liep, het gehucht uit, den dagelijks eenderen pad langs de spoorbaan, daar hoorde ze 't hooge en verre zoemen in de telefoondraden, die in de lucht hingen, striepen op de lichte tint van de lucht, en in iederen telefoonpaal zoemde het kalme en eeuwige gebrom. Dan kwam ze aan het stationnetje en wachtte op den trein. Nadien, in de coupé, zat ze tusschen d'ander op de harde, houten banken, ze zaten allemaal mee d'r korte rokken en mee d'r hevige lichte kousen, glanzende kousen, die ze gedurig hoog en strak optrokken. Ge zaagt, door die lichte en opzichtige kleur, de beenen het eerst, de beenen vooral. De durskes keken er zelf naar. Beenen, beenen, beenen, och, wat was het voor een armzaligheid en een opschik. De durskes lachten hoog en hel. Ze lachten gedurig. Ze lachten, da ze diep vooroverbogen en mee d'r handen grepen naar elkaar. Zoo zaten ze bijeengetroept in de treincoupé, als ze rustiger wieren, dan vieten de sommigten uit haar taschje een breiwerk of een haakwerk, dat ze loswikkelden uit papier, en werkten aan da kleurige goed, ze vertelden elkaar wat het worren moest en keken en keurden.

Sluiten