Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jong op zoldersliepen nog. Dan stond Marie in de kou te bibberen en kleedde zijn eigen aan. —Da was iederen morgen de verschrikking en de inspanning om uit het warme bed die bijtend koude duisternis van den zwarten wintermorgen in te gaan, en vervolgens buiten dien eindeloozen weg naar het station in het dorp, loopen mee bevroren voeten en mee onbeschermde, bevroren beenen door die vernijnige koude, den klinkend harden pad onder de morgensterren. D'r ooren deden haar zoo zeer, als met messen in de randen gesneden, de oogen pijnden van den vlijmscherpen wind, en de kou beet op haar gebeente, dwars door het voordeeüge manteltje en haar korte kleeren heen. Ze voelde geen beenen meer. Iederen morgen stonden ze bij den trein zoo allemaal van alle kanten uit de donkere kou gekommen in de hokkerige donkere wachtkamer, die wachtkamer mee één petroleumlantaarn verhcht, en stonden bijeen te trantelen en te stampen en mee de schouders hoog opgestoken te kleumen van die onmenschelijke kou, die toe d'r maag doordrong en hen wee en ziek maakte. Als ze in den trein zaten kwam het licht van den dag zwakjes en reinrood schijnen op de dikbevroren portierraampjes, ze krabden mee mesjes en nagels namen en opschriften in het stuivende ijzel en woorden om, mee te giechelen. Ze krabden een plekje breeder open en zagen de wit bevroren akkers en weien en de slooten mee het blauwe en gespleten ijs onder de kale tronken der kromme wilgen. —Da was in den morgen, en in den donkeren avond was het eender leed, voor ze, paars en ziek van de

Sluiten