Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daax namen ze afscheid, daar stonden verscheiden van de durskes zoetjes ieder met een jongen te praten, bij een muur, bij een lantaarn, bij een deur. Vóór zij uiteen gingen, zoenden zij elkander in een wonderlijken ernst en de durskes in dat vreemde aangewend zijn aan een zede, die hun afkomst onbekend was. Thuis, op haar dorp, zouden zij zich geschaamd hebben voor elkander, daar gebeurden die dingen in het geheim en verdoken. Als daar bij zoo'n afscheid anderen getuige waren, dan wier er niet gekust. Dan zeejen ze alleen maar houd oe tegeneen en gingen. Maar hier, daar was de andere wereld, waarin zij waren opgenomen. Zij waren nu zooveel vooruitgegaan. Zij lachten elkander niet uit. Met den zoen op den mond hepen zij het station in. Zij zeejen niet: houd oe. Zij riepen dat gerekte en zangerige: dag! Zij wuifden ten afscheid en met oogen die beloften inhielden voor morgen.

—Morgen! Hoe was hun verhouding. Die durskes, ze waren ommers geen kwaaj keinder en misschien waren die jongens ook niet zoozeer wa ge bedervers noemt. Ach, maar als er honderd lachen, dan lachte ge mee. Als ge mee loopt in den stroom van duizenden door arbeid en door de straten, dan deelde ge het zelfde hcht in de oogen. 't Hong in den tijd en 't zat in 't vrije bloed van de jonkheid, die haar dagen nam en de wijsheid van de wereld had. Ge hadt er, aan de fabriekspoorten samengegroept wachtend op haar werk, de astranten. Zij dragen haar jonge borsten recht met de zichtbare voldoening om dit bezit, daarom doen zij het dunne bloesje overmoedig strak,

Sluiten