Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om de kleine krachtige dijen zit het felle rokje gespannen, zij willen verlokken met de rondheid van een kinderlijke knie in een dunne kous. Zij kijken den jongen man recht in de oogen, met spot en beloften, o, zij kennen houdingen en bewegingen. Zij zijn voor geen oogen, geen mond en geen handen beschermd. Zij treden lach en begeerte tegemoet en weten te spotten om den onervaren jongen gast, die zich door haar verwarren laat. Zij gaan na haar werk door de straten en roepen de jeugd, deze jeugd, spelend op de randen van het pleizierige gevaar, ja en neen, en kennen nimmer het berouw.

Er zijn de anderen, aan wie het strijd kost, schaamte

en tranen en wegvluchten en de bedreiging niet weerom te komen. Aan een avond die den stroom van een langen vermoeienden dag binnen de gevels der straten behoudt, dan loopen zij mee een verwonderd en angstig pleizier voor de dingen die zij in zichzelf niet begrijpen. Ze willen misschien nog de oogen met de handen bedekken, maar iemand komt en leidt haar aan de handen mee. Op eenen avond, buiten de stad, een avond wild van lentewind, buiten waar de hemel van stilte doorzongen is, omdat hij boven de stad zoo dreunt, dan kannen de oogen zonder de bescherming der handen zich sluiten voor alle verzet en doet de jonge vrouw met gebroken wil haar blinde daden. _Maar thuis, daar was alles ontkleurd, grijs en sjofel, en het verdriet der bittere eentonigheid. Het eten was geen vreugd en d'andere keinder waren geen vreugd rontelom Marieje. Moeder die mager was, en mee een gezicht in den ernst vertrokken en verkommerd, zij

Sluiten