Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den ergsten angst leed zij bij het weerkeeren in

huis, daar zat zij met deze zekerheid, deze ramp bij vaders en moeders en te midden der jongens, en haar jongere zusje dat grooter groeide. Ze zat stil onder de zorg van moeders die haar d'r eten gaf en die haar mee 'nen smallen en dorren lach toelachte als ze dagen achtereen op tijd was thuisgekomen, en moeders die dagen niet in de onrust üet over het beangstigende wegblijven toe laat in den nacht, zooals ze dat zoo dikwijls gedaan had. Vader, die den lesten tijd hoe langer hoe meer 'nen norschen mensch was geworre, die zat en rookte zijn pijp, of Marie zag hem zijnen hof ingaan waar hij in de donkerte het erpelveldje gong omspaaien voor den winter toe het komende jaar. En o, de jongens in den herd en Doratje, de kleinste, die te breien zat naast de plattebuiskachel, allemaal gewone dingen en die wieren teruggeschoven en krompen saam toe een klein beangstigend wereldj e. Hoeveel dagen en weken zou zij dit voor moeders verborgen kunnen houden? Eéns zouden ze het weten in huis. Dan viel het kwaad en de verstoring van leven en alle dagen hier in den kleinen herd, daar zou zij dan in staan met wat gebeuren moest en niet gebeuren mocht. Zij was de wreede ramp en de schande van allemaal, van moeders, van de keinder, van vaders. De slag sloeg door haar heen, vlijmende, drukte haar bloed, verlamde haar oogen en voeten en sloeg op haar stem, die heesch in haar woorden klonk.

Zij vermagerde'zienderoogen.Zij kon bekant geen eten

meer door de keel krijgen en doorwaakte den klammen en benauwenden angst der nachten. Zij had in die

Sluiten