Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichten en verder stonden de hooge huizen aan den nacht geheven, mee lichten groot en klaterend aan het duister van een verren en diepen hemel, en het beeld diep en overal weerspiegeld in een donker water, waarin de guirlanden te sidderen lagen van lantaarnlichten langs straten, en van hchten van kleine schepen, die vlug voortschoten mee een geronk, dat laag tegen kaaimuren klonk en gedempt wier door de groote zee van rumoeren die hier zong, zong. Midden in luid geschreeuw van venters stond ze even voor een auto. Het portier viel open. Handen duwden haar naar binnen. Ze viel neer op iets zachts, een gekussende bank, waarop ze zat. Het portier sloeg dicht. Tegenover haar in de lage, bedompte ruimte, waarin het klaterende lawaai der stad ineens gedempter lag, daar zaten de twee, daar zag ze de twee gezichten onder de getrokken schaduw van de petten, de gezichten, die ze kende en vreesde. Toen voelde ze een zoemen, ze voelde zich gaan, zich wiegen op een zoemende vaart. Ze zag het gewieg der beide mannen voor zich en ze zag op het ruitje, dat trilde in zijn raam, de tuimeling der stad, val van hchten, den veelvoudigen sprong van huizen, van lichtende vaart die mee snelheid voorbijtrok, gekruist en flitsend doorschoten van de weerspiegeling der beelden van den overkant, en op het donkere glas lagen zonder gerucht ineens twee, drie groote sneeuwvlokken, die weer wegvielen en smolten in een hoek. Overal sprongen de dubbele en onwerkelijke beelden te samen stortend op dit kleine vierkant. Een lange straat, een lange reeks van geslingerde hchten, de auto's, de trams, die voorbij flitsten, de verdere menschen die

Sluiten