Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gingen, huizen, huizen, hoog en donker in de muren boven de aan de straat aaneengerijde, ontzaglijke vierkanten van diepe winkelruiten en lichtpracht en vol van kleuren helder als in de zon.

Toen ze met een ruk, waarvan ze opzij viel, een

donker straatje inreden, ging het hcht van haar weg als iets dat blij geweest was in zijnen korten en feilen duur, een angst, zeker, maar een angst die veilig was, omdat het wachtende kwaad zelf er haar nog niet in schond. Nu, in de benauwenis van een smalle straat mee hooge en donkere huizen en waar het stil was en maar eenige menschen gingen in de stilte van enkele schaars vallende sneeuwvlokken, nu sprong mee verdubbelde kracht de felle vrees op haar borst en zeer diep in haar bange vleesch. Zij was op vreemde wijs aan haren grooten angst gewend geraakt; nu eindelijk gekomen was in Onmiddellijke werkelijkheid wat zij zoo bang had gevreesd, voelde zij haren hartklop luid en hamerend in haar keel. Toén de auto stil stond en zij eruit moest, wankelde zij op onvaste beenen, ziek van schrik en weeïg mee een drang naar braken een donker stoepje over, een deur in. Zij moest een houten trap bekümmen langs schaars verüchte en vuile kalken muren. Maar zij moest nu door de beide mannen ondersteund worden. De trap tuimelde mee zijn treden haar tegemoet, zij hief er haar geslagen krachten aan op en streed mee sidderende en koude handen tegen een leuning, die haar terugduwde en greep. Zij sloot de oogen en het zich tillen, het zich dragen naar de klemmender verschrikkingen, die haar bonzend bloed mee harde vuisten sloegen en naar den dood van klau-

Sluiten