Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan Olie. Zijn gedachten waren evekes bezig mee al de zorg van Simon Wijnands en zijn vrouw, maar Jan Ohe had zeker te zeer alleen en op zijn eigen geleefd al de lange jaren van zijn leven, dan dat hij het verdriet van anderen ernstig begrijpen kost. Jan Oüe had zeker ook te veel mee zijn eigen te steüen, want hij hep mee gedachten rond, zwijg stü! Poeierende sneeuwvlagen op den juüenden wind stoven en jachtten voor hem uit naar de nachtdonkerte van den ruwen hemel, die wegtuimeldeover de verrepeelvlakte. Diejen Jan Oüe, hij had zijn eigen zorgen wel, en zijn groote gedachten den laat sten tijd, maar het vreemde was dat hij er niet zoozeer zwijgende bij wier en dat hij mee 't hoofd in de diepte en naar den grond nog üep te lachen. Dat kwam omdat Jan Oüe het tijdelijke inzien kost en 't betrekkelijke van allen rampspoed die 't leven is en zijn eigen niet moe maakte, omdat ge er, als ge wüt, meteen een eind aan hebt, dat toch kommen moet en dat ge oe vervroegt, als ge voelt da ge voor oe verlangen en heimwee geen plaats op de aarde hebt en er toch geen andere wegen zijn dan op onze wereld, die rond is en waarop ge oe eigen tegenkomt als ge gaat zwerven. Niewaar? zee Jan Olie. Hij kost lachen als hij zijn eigen voorstelde, da ge bij iederen val in het leven mee de handen aan den rand van 't graf ügt. Hij had de nachten gekend, Jan Ohe, dat hij zwierf bij de grenzen en Jt roode en blauwe vuur van de knaüende geweerschoten zag en stond mee open mond verrig om neer te vaüen. Jan Oüe stiet nou geluiden uit tegen den storm en hij zee: pchè! pchè. Ik heb scheit aan alles.

Sluiten