Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—Door de donkerte thuis en in zijnen herd gekomme, maakte Jan Ohe de bronolielamp boven de tafel aan, hij pookte vervolgens in het vuur van de kachel en gooide er wat nieuwen klot op. De vuurvonken uit het klotgemul speitten het kacheldeurke uit. Jan Oüe gooide het deurke dicht, hij üet het valgordijn voor de hor neer en vervolgens lachte hij tevreden. Het was een vernepen ventje geworre in den tijd, hij had onderdehand bekant grif 'nen kalen kop gekregen en hij üep gebogen in zijn groen geworre zwart jasje en krom in de turkschlederen boks die mee wije knieën om zijn been flodderde. Hij stond op zijn blokken in den herd, Jan Oüe, en voor de kou had hij 'nen roojen teschneuzik om zijnen mageren hals. De neus stond scherp boven de schrale striep van zijn rechten mond tusschen de twee stekelige spleet-oogen, die lachten in hun vonkend ücht je te midden en in de vrooÜjke rimpelkes in de hoeken. Zoo stond me Jan Oüe, die 'nen pleizierige mensch was geweest al zijn leven, zoo stond me diejen Jan Ohe, en den vuüen herd mee de muren en de bedstee en mee de tafel en de paar stoelen en mee den leegen zulder da kwam rontelom hem samen en vervoegde zich aan zijn wezen en 't leek alles zoo krek op hem of het zijn vorm en karakter van Janne had. Ze roken eender, Jan en zijn huis, naar oüe en klotrook en vunzen bedomptheid, en den herd had in zijn verdrietige goorheid den scherpen en vernijnigen lach van Janne zelf aangenomen.

—Jan Ohe haalde van de duistere beddeplank in de beddekoets eenen aardbol voor den dag, eenen aardbol op eenen voet, eenen aardbol, die-t-ie grif draaien en

Sluiten