Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het seizoen der ansjovis-teelt de Enkhuizer haven te klein, om al de visschersvaartuigen, die daar van het land langs de Zuiderzee tezamen kwamen, te herbergen, en dan heerschteer een ongekende bedrijvigheid, als nu in den vischtijd aan de Noorsche fjorden.

De wat-pietepeuterige Markers, de stoerestruische Volendammers, de ruwe Bunschoters en Spakenburgers, die in hun „eigen land" den fijne-Piet spelen, maar in den vreemde zoo graag „de beest uithangen", de luizige Urkers,x) berucht om hun onzindelijkheid en beroemd om hun belangelooze gastvrijheid, de Friesche visschers uit Dongeradeel, door de anderen om hun plat-Friesche taal als „de Engelschen" betiteld, ook Wieringers en Texelaars, ja, wat al natiën en tongen hadden in den tijd van het „ansjopies"-visschen hun tenten tijdelijk in de oude haring-stad opgeslagen!

En met Enkhuizer kermis') stroomde de jenever, dan mocht een ieder een glas te veel drinken, zonder dat de goê-gemeente er schande over sprak, dan zwierde de levenslust Breugeliaansch door de straten en daverde het stadje van het grove tumult!

Zoo werd Alie Smeding wel zeer vertrouwd

*) Rieuwertje Brand, blz. 30. *) Rieuwertje Brand, blz. 222.

Sluiten