Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze zelf wel naar zoo'n vreemden mijnheer toe.... een berg van bezwaren verrees.

En zoo schreef de schrijfster alleen voor zichzelf, en op haar kleine kamertje voerde ze haar helden en heldinnen ten tooneele. De familie wist het wel, maar ze wist nog niet of ze er trotsch op zou zijn, of dat ze er om zou lachen. Maar eens, toen er schippersvisite was, kwam „er de praat op".

Amusant vertelt de schrijfster hiervan.

„En ik weet nog best, hoe ik, in de huiskamer, op een winter-avond aan een eerbiedig gehoor van schippersmenschen een van deze eerste pennevruchten voorlas.

Het was een onnoozel buurtgevalletje.

Maar de schipper zei al dadelijk tegen zijn zoon: „Klaos, de pette van het heufd, jó!"

En de pet nemen schippers alleen maar van het hoofd in de kerk, bij het bidden en danken, en als ze in de kooi kruipen!

Toen het schetsje uit was, prees de schipper met naïef-eerlijk respect: „Heerik, heerik! Wel hê-'k van mien leven!, hoe krieg ie het bij mekaor, jonge dochter!" En tegen m'n Vader: „Wat 'n heufd! Wat 'n heufd hef dat kind van oe!"

En ik geloof, dat ik me in mijn later leven nooit zoo gevleid gevoeld heb door een mooie

Sluiten