Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook, den weg van den subjectieven bewustzijnskring (zelfs met ,zijn objectieve pool) naar het bewustzijns-transcendente zoeken. Wij hebben in onze kentheoretische overwegingen, vroeger en thans, ons bijzonderlijk op dit centrale punt gericht en zijn daarbij tot het besluit gekomen, dat de subjectieve, individueele bewustzijnskring is „gewekt", dus wordt uitgedragen door verborgen beweeglijkheid. Zoo vinden wij in de beweeglijkheid of actualiteit in verband met de idealiteit het grondgegeven voor de principieele, kentheoretische overweging. Nadat wij het bovenstaande schreven, vonden wij, gelijk telkens op allerlei gebied, bevestiging van onze visie (dat „beweging" grondprobleem is, niet slechts van alle weloverwogen wordings- maar ook van alle welgegronde kenleer) in Dr. J. D. Bierens de Haan's aangehaalde Spinoza-rede, blz. 8: „De mensch n.1. is denkende geest, en het denkend wezen verkeert in de voortbeweging, die een voortbeweging is van zinnelijken naar geestelijken inhoud" en blz. 9: „In den mensch openbaart zich de dynamiek der werkelijkheid". Het actueele denken is beweging, zooals reeds Hegel-Bolland beduidden, dat de tegenstrijdigheid Werkelijkheid en Denken bewéégt. Komt men in de Barthsche lijn ook op theologisch gebied tot beweging (Prof. Dr. Th. L. Haitjema „Karl Barth", H. Veenman & Zonen, Wageningen, 1926), zoo is ook dit reeds voorgegrepen in de Hegelsche denkmethode en ook in onze vroegere werken. Waar Prof. Haitjema t.a.p., blz. 150 opmerkt, dat de betuiging „de Godskennis van oogenblik tot oogenblik de bewogen (!) relatie van openbaring en persoonlijk geloof vooronderstelt" noch bij Kuyper en Bavinck, noch bij de Hartog wordt gevonden, daar mogen wij, voor ons zelf sprekende, wel vermoeden, dat dit beweren toch niet geheel recht doet wedervaren aan ons actualistisch (voluntaristisch) standpunt en zijn uiteenzettingen. Wij mogen het anders hebben gezegd maar meenen toch hetzelfde te hebben bedoeld. Wie bovendien, als wij, van ouds reeds met de dialectische methode en de negativiteit van den geest van doen hebben gehad, kunnen in Barth's dialectische methode (blz. 151) zeker niet iets geheel nieuws begroeten. Ook Kuyper sprak gedurig van het „omslaan in Zijn tegendeel". ") Vrgl. Kant, Werke, ed. Hartenstein, VIII, S. 576; Schopenhauer, Werke, Ed. Reclam, II, S. 213. De term „metaphysica"

Sluiten