Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd is slechts tot rust te brengen, indien men doorziet, dat de willende, geheele mensch zich opgeven en openstellen moet (pistis) om óók naar het kennen en denken der rede (gnosis) Gods Werkelijkheid te aanvaarden en te doorvorschen. ") Verlag Ullstein, Berlin, i7e-aoe Tausend, S.48. Max Planck in „Neue Bahnen der physikal. Erkenntnis", Joh. Ambr. Barth, Leipzig, 1933, 3e Aufl., S. 34 merkt op: „Auch für die Physik gilt der Satz, dass man nicht selig wird ohne den Glauben, Zum mindesten den Glauben an eine gewisse Realitat ausser uns". Zie Prof. Dr. S. Frank „de Russische Wereldbeschr.", 1932. °) Men bedenke, dat metaphysica niet slechts speculatief behoeft te zijn zonder meer, men verstaat, dat er ook metaphysica op grondslag der ervaring, inductief mogelijk is, zooals reeds Schopenhauer wist: „Die Aufgabe der Metaphysik ist zwar nicht Beobachtung einzelnèr Erfahrungen, aber doch die richtige Erklarung der Erfahrung im Ganzen. Ihr Fundament muss daher allerdings empirischer Art sein" (Werke II, S. 210); vrgl. ook Ed. von Hartmann's motto bij de „Ph. des Unbew.": „Spekulative Resultate nach induktiv naturwissenschafdicher Methode", voorts het tegenwoordig pogen in deze richting (Drews, Driesch, Heijmans enz.) verder Kant's „Vorrede" der 3e uitgave „Kr. d. R. V.", S. 16.

••) Men vergelijke de tegenwoordige „Ursprungs"-philosofie en Theologie (Natorp, Zwitsersche school enz.). ") Max Scheler merkt in zake de „Phanomenologie des religiösen Aktes" op: „Es ist für die Heraushebung gewisser geistiger Intentionen aus dem menschlichen Geiste als „religiöser" nicht genug, wenn man sie rein immanent karakterisiert. Ihre Selbstbeziehung auf Gott ist vielmehr das erste Wesensmerkmal ihrer Einheit. Insofern setzen sie die Gottesidee notwendig voraus". vrgl. „Vom Ewigen im Menschen" I. Bd. „Religiöse Erneuerung" 1931, Leipzig, „Der Neue Geist, Probleme der Religion", II, 6, S. 531 f., gecit. bij Wobbermin (aant. 8a), S. 34 62) Fichte heeft zoo ook aangegeven (zie o.a. Fritz Medicus, „J. G. Fichte" bij Reuther en Reichard, Berlijn), S. 151, dat een overtuiging niet slechts wordt bewezen maar beleefd, zij is het eerste of het laatste, waartoe het denken komt, vrgl. Hebr. 11 :1. Het weten krijgt door het gelooven geldigheid (vrgl. „die Bestimmung des Menschen").

Sluiten