Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijking in Goddelijke Draagkracht belijdt (Hebr. i : 3). "9) Joh. 1 : 29; Antw. 34 van het „Kort Begrip der Christelijke religie"; Antw. 17 van den „Catech. Heidelb.**

Fil 2 : 6 v.v.; Ef. 4 : 10. 1,1) Joh. 1 : 14, 16; Cel. 1 : 19, 2:9- Dit is, zooals men zou kunnen wanen, geen pantheïsme, want het beteekent tevens handhaving van Goddelijke Transcendentie naar het Wezen en naar de Vaderopenbaring, terwijl dan de Zoon als het Al „op zich nemend" (zie boven) Wezenlijk Transcendent en Albemiddelend tevens Immanent dit Al draagt door Zijne Kracht (Hebr. 1 : 3). Men is in het algemeen met den term „pantheïsme" al te voorbarig in ondoordachtheid. Iedere beschouwing, die, hoe dan ook Goddelijke Transcendentie, hetzij Substantieel of ook Origineel (Vader) inhoudt, is o.i. niet „pantheïstisch "te noemen. De term „panentheïsme" (Krause en Opzoomer's bekende oratie over „de Wijsbegeerte den Mensch met zich zelf verzoenende") is in menig opzicht verhelderend. Ons eigen stelsel staat, zooals meer opgemerkt, eerst recht in het teeken van het Theïsme (GoddeHjke Transcendentie èn Immanentie) tegenover mogelijke Deïstische verstrakking en Pantheïstische vervloeiing. u') Joh. 1:12; Rom. 8 :16.

"») Monisme behoeft allerminst pantheïsme te zijn, het is de moed van de menschelijke, synthetische eenheid van geest, uit GoddelijkenO penbaringsdrang, om het Al onder Eén te betrekken, geloovig, kennend, denkend. Monisme sluit daarom dualisme en zelfs pluralisme niet uit maar veeleer in als idente betrekking van het vele op het (den) Eéne. Monisme, hetzij men dit physisch (Haeckel), psychisch (Verworn, Heijmans) of pneumatisch (Hegel, Von Hartmann, Christendom) verstaat, steeds blijkt het min of meer adaequate, of parallelle wijsgeerige keerzijde van Godgeleerde, monotheïstische belijdenis. Alleen ondoordachtheid kan op gevoelsmatige gronden het monisme slechts „in hope" zien. Wie het Onzienlijke, dén Onzienhjke, Eénige (Art. I der „Confessio Belgica") erkent, moet ten slotte wezenlijk, ook in het geloof, Dezen monistisch en monotheïstisch vasthouden (Hebr. 11 : 27). Verschillende beschouwingen van „der Monismus" werden verzameld door Arthur Drews bij Eugen Diedrichs, Jena, 1908. Ook Drieëenheid is niet, gelijk verstandelijke uiterlijkheid vermoedt, Driegodendom, maar

Sluiten