Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

P^uiSTERNis, koude, nevel en mist hangen 's winters over het landschap onzer Noordehjke landen en beklemmen het hart van den bewoner dier streken.

Bloemen, vruchten en bladeren heeft de wilde najaarsstorm afgeknakt, weggerukt en de kale boomen steken hun grillige takken in de aschgrauwe lucht.

Sneeuwjacht en snerpende noordenwind belagen onze gezondheid en jagen ons uit Gods vrije natuur naar het warme woonvertrek.

Arm, droevig, bitter is de winter. Wij kunnen begrijpen, dat onze Germaansche voorouders in het voorjaar rondliepen en, door het uitstooten van allerlei schrikwekkende geluiden alsmede het verwekken van helsch lawaai, de booze wintergeesten trachtten te verjagen, wier grimmige luimen hun zooveel schade en leed hadden berokkend.

Evenals onze heidensche voorouders moeten wij, Christenen, telken jare eenige maanden het zware juk van den Winterkoning torsen. Nochtans dient gezegd, dat wij gedurende de maand December door zulk een overvloed van godsdienstige en huiselijke ontroeringen en opwekkingen verkwikt worden, dat wij daarom vele norschheden van den winter voor Hef nemen.

Wellicht zal het den lezer welkom wezen over de Kerkeliflce en huiselijke gebruiken, waaraan December zoo rijk is, iets naders te vernemen.

Sluiten