Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat materieele zorgen die opgewektheid niet verhinderen.

Indien nu de salarissen der onderwijzers reeds ontoereikend zijn om op behoorlijke wijze de voorziening der eerste levensbehoeften te verzekeren, hoe moet het dan gaan met de voorziening in die behoeften, welker vervulling voor het welslagen van de levenstaak van de opvoeders van ons jonge geslacht even noodzakelijk is als die der eerstgenoemde; studie, lesgeld, boeken, ontwikkeling, lectuur, ontspanning, reizen, sociaal leven, contributies en bijdragen; onvoorziene uitgaven voor gezin, familie enz.? Het is duidelijk dat deze uitgaven onontkoombaar zijn, al dwingt de nood tot uiterste beperking: want deze uitgaven moeten normaliter gefinancierd worden uit gelden, die aan de voorziening in de eerste levensbehoeften onttrokken worden.

Op de Regeering rust de schuld, dat de onderwijzersstand leeft aan den zelfkant der fatsoenlijke armoede. Dit is helaas altijd de economische positie van den onderwijzer geweest. Aan mooie woorden betreffende de waardeering van zijn ambt en werk heeft het nimmer ontbroken, maar de eerste ernstige poging, om den drager van dat ambt in de gelegenheid te stellen onbekommerd zijn krachten in dienst van dat ambt te stellen, moet nog steeds gedaan worden. Eens, in 1920, heeft in de tienduizenden onderwijzersharten de hoop geleefd, dat voor hun korps die poging gedaan zou worden. De geweldige beroering, die de bittere teleurstelling van 1920 in hun kringen bracht, toen de salarissen + ƒ 1000 lager werden vastgesteld dan de toenmalige commissie van georganiseerd overleg adviseerde, is niet anders te verklaren dan uit de ontgoocheling van menschen, die zich voor immer bedrogen zagen in de verwachting, dat hun eindelijk een bestaan vrij van nijpende zorgen zou beschoren worden. Het heeft niet mogen zijn! Het gros der Nederlandsche onderwijzers is in 1920 veroordeeld te blijven leven in fatsoenlijke armoede.

Daarom is de salariskwestie voor de onderwij-

Sluiten